Geschreven door Piet Beitler

Deze site is opgedragen aan Trien en Piet uit Terschuur



Hoofdstukken: 1 2 3 4 5 6 7 8 9


Boerderij van Trien en Piet Introductie

“Kon ik de tijd maar even terugzetten” verwoordt op treffende wijze de belevenissen van de auteur op een boerderij in Terschuur.
Het schetst de sfeer van een niet meer bestaande wereld. Een ‘wereld van vrijheid en eenvoud’.
Vele aspecten van het boerenleven worden -bijna letterlijk- in geuren en kleuren beschreven. Hoe ziet boerenkoffie er bijvoorbeeld uit? En hoe smaakt deze?
Daarom zal dit verhaal niet alleen interessant zijn voor de kinderen van de auteur, maar zeker ook voor hen die het boerenleven van Terschuur en omgeving gekend hebben of er iets meer over willen weten.

Joop van Dijk, webmaster


Voorwoord

Het was al jaren de bedoeling om iets te schrijven over mijn vakantiebelevenissen op de boerderij. Het is geen verhaal geworden van cultuur-historische waarde, maar dat is de bedoeling niet, het is meer voor mijn kinderen. Dat ze weten wat zich afspeelde met mij in die jaren. Het verhaal handelt over de jaren 1969 tot 1986.
In 1969 was ik 12 jaar, de zomer waarin het verhaal begint nog maar 11 jaar. In die tijd was het nog echt een ouderwetse boerderij, inclusief de mensen. Alles werd met de hand gedaan of met behulp van andere mensen, zeer luisterrijke types overigens.
Ik hoop dat degenen die dit verhaal zullen lezen, wel begrijpen dat na zo veel jaar de details wat vervaagd zijn of hier en daar wat aangedikt. Maar dit is niet van belang.
Ik zal nog even de titel uitleggen die ik dit verhaal gaf.
Het heet “Kon ik de tijd maar even terugzetten”. En zó voel ik het ook: Ik ben daar op die boerderij altijd heel gelukkig geweest.
Ik draag dit verhaal dan ook op aan twee mensen. De een was de laatste jaren niet meer te bereiken vanwege lichamelijke ongemakken, de ander werd van de buitenwereld afgeschermd door familie, die haar overigens goed verzorgde. Daarom was afscheid nemen niet mogelijk meer.
Maar ik ben er van overtuigd dat zij door de God van alle mensen beloond zullen worden.
Ik en degenen die ze gekend hebben zullen ze niet meer vergeten.
In dit verhaal gebruik ik de originele namen. Ik hoop dat dit geen problemen zal geven bij de families. Maar ik neem aan dat, voor zover zij het eventueel zullen lezen, dit geen moeilijkheden zal geven.

Tot zover.

September 1998
Piet Beitler
p.beitler@wanadoo.nl

© JUS - Amersfoort - Holland


1 - De kennismaking

Het was een gewone dag in de zomer; ik kwam op de fiets thuis van school. Het was tevens de laatste dag van de lagere school; na deze zomervakantie wilden ze mij in Amersfoort nog wat proberen bij te brengen wat betreft het timmervak.
Ik zou in deze vakantie nog naar een neef in IJsselstein gaan. Verder stond er niets op het programma voor de eerstkomende weken. Wij gingen niet op vakantie, afgezien van een dagje naar oma Soest. Daar gingen we dan even naar de Soester duinen.
Mijn broer Ron was in die dagen nogal moeilijk te handhaven thuis, daarom werd er een boerderij gezocht waar hij zich eens lekker uit kon leven.
In de kennissenkring van mijn moeder was iemand die wel een plekje wist, bij Trien en Piet in Terschuur; die waren dol op kinderen.
En daar liepen er nog veel meer, van die belhamels, jongens en meiden; groot en klein. Hij werd er naar toe gebracht, maar was na drie dagen al weer terug vanwege heimwee.
Maar Trien belde of er niet iemand anders mocht komen van de jongens.
Dit werd goed bevonden, en ik wilde wel. Ik werd weggebracht door Jan Beitler de timmerman. Zo ging het richting Terschuur.
Aan het eind van de middag kwamen wij aan zo om een uur of vier. Ik werd naar binnen gebracht in een ruimte die naar ik later hoorde het bakhuis bleek te heten, het zomerverblijf.
Daar maakte ik kennis met een aantal goedlachse humorvolle mensen. Die mensen zaten op dat moment te eten en waren druk aan het debatteren hoe, en wie het laatste hooi naar binnen moest brengen.
Trien, Piet en hun knecht zouden gaan melken in het schapenhok; de rest zou het hooien afmaken. Er werd gedankt en ieder ging zijnsweegs.

Koe
“Ik ben daar op die boerderij altijd
heel gelukkig geweest.”


Ik bleef achter met Henk en nog twee andere kinderen, met de boodschap van: “eten staat op tafel en als je iets niet weet, dan vraag je het maar aan iemand.” Zo gezegd, zo gedaan. Je kreeg hier geen bord zoals thuis, maar hier werd zo van het tafelzeil gegeten.
Het beleg bestond uit bruine suiker; ruwe honing; vet spek en kaas. Het brood werd met de hand gesneden.
Nadat ik de broodmaaltijd met smaak en vol spanning genuttigd had, gingen we naar buiten. Ik stapte daar in een voor mij nieuwe wereld, van vrijheid en eenvoud. Dit realiseerde ik mij pas jaren later.
De tijd die ik daar ging krijgen had, en heeft nog steeds, invloed op de rest van mijn leven.
Naar boven

2 - De avond

Nadat we buiten gespeeld hadden, gingen we met z’n allen koffie drinken in het bakhuis. Hier werd ouderwetse koffie gedronken. Die koffie zag er als volgt uit: grijs met vellen.

Bakhuis
Het bakhuis, oftewel het zomerverblijf.

Je kreeg daarbij een grote koek uit een heel mooie trommel. Na het koffiedrinken gingen we TV kijken in de Geut.
De Geut is het winterverblijf. ’s Zomers keek je alleen maar TV daar. Het rook er naar kachelsmeer en boenwas, en het was daar altijd fris. Om een uur of negen kwam Trien ons vertellen waar we moesten slapen. Die ruimte heette de kelderzolder; dit ligt boven een kelder. Daar stonden ook de weckpotten. Je ging daar heen over de deksel van de kelder, een soort trapje van drie treden. We sliepen daar met z’n drieën: Ik met Henk in Triens bed. Een ouderwets ledikant: Zeer smal!
Maar op dat ledikant lag een ouderwetse veren zak; die kon je zo lekker opschudden. En als je ging liggen, lag je in een kuil. Daaroverheen kwam een stapel dekens; ondanks dat het zomer was. Toen wij naar bed gingen was het uiteraard kletsen tot diep in de nacht. Eigenlijk totdat Trien zei: “Ga nou eens slapen!”
De volgende morgen werden we wakker van de zon, die in de kamer scheen. Vandaar dat ik denk dat zo’n kamer ‘op’kamer genoemd wordt.
We gingen ons lekker wassen onder de pomp. Daarvoor moest je met z’n tweeën zijn, of heel snel. Je moest namelijk het water opzwengelen (‘oppompen’). Later moest je water bij de pomp ingooien om ’m aan de gang te krijgen. De zuiger droogde ’s nachts uit en dan kon je geen water oppompen. Dus gooide je er water in om het geheel weer aan de gang te brengen. Er stond altijd een blikje water onder de pomp voor dit soort ongemakken. Je kunt je dit nu bijna niet meer voorstellen.
Naar boven

3 - Aardappelen

Zo rond 30 april werden er aardappels gepoot. Dat op zich was al een heel werk. Er was iemand die het poothout bediende. Dit poothout bestaat uit een balkje met drie paaltjes eraan die je om de 50 centimeter in de grond duwt. Achter degene die dit poothout bediende, liep iemand die in de drie gaten die hierdoor ontstonden een pootaardappel stopte.

Piet en Piet

Daarachter liep er een die de gaten weer dichttrapte. Na een aantal weken kwamen deze aardappels boven de grond. Dit was de tijd dat er geschoffeld oftewel gehakt moest worden. Uiteraard alleen het onkruid. Daarna werden ze opgeploegd. Dan liep er iemand voor een handploeg. Daardoor kreeg je mooie geultjes tussen de voren. De eerste aardappels, dat zijn de vroege, die kon je rooien in juni. In september begon je met het rooien van de late aardappels. Dit is de wintervoorraad. Dit gebeurde als volgt: Piet zette de aardappelstruik met de greep boven de grond en schudde hem af, zodat de aardappels eraf vielen.
Deze aardappels werden met de greep tussen het zand uit gehaald en zoveel mogelijk op een regel neergelegd. Dan kwam er iemand -meestal ikzelf- en Trien of iemand anders die hielp.
Deze persoon sorteerde de aardappels op grootte. De grote aardappels gooide ik in een mand en als die vol was, in een jute zak. Daar gingen twee manden in. Dit is één mud.
De kleine aardapppels deden we in een aparte zak, en werden meestal gebruikt als veevoer. Dit sorteren gebeurde op de knieën zodat je aan het einde van de dag geen rug meer overhad. Zei je hier wat over, dan zei Trien altijd: “Je hebt geen rug, maar een haak waar je kont aan hangt. Dus die rug kan je ook niet voelen.”
We moesten ook de aardappels met de kruiwagen of de blauwe melkkar op de deel rijden en we zaten meestal een behoorlijk eind van huis. Daardoor dronken we ook altijd koude koffie omdat wij dit om één uur meenamen en pas om drie uur dronken. Het was nou niet wat je noemt erg lekker meer, maar het hoorde erbij. En daarom zei je er niets van. Het is ook niet meer van deze tijd. Daarvoor zijn we te veel verwend met onze thermoskannen.
Naar boven

4 - Wassen

Eén keer per week, dit moet je ruim zien, moest je in bad (teil). Je moest daarvoor water warm maken -Hoezo geyser?- in het fornuis. Dit was een gietijzeren bak met daaronder de mogelijkheid om een vuurtje te maken waardoor het water warm werd. Er zat ook nog een schoorsteen aan, maar daar merkte je weinig van omdat er soms meer rook binnen was dan buiten.
Allereerst moest je water halen voor het fornuis; dit moest je sjouwen in emmers. Uiteraard eerst pompen. Was het fornuis gevuld, dan kon je het vuur aanmaken. Het duurde vrij lang voor het water warm was. De teil werd van de wand gehaald en warm water werd er in gedaan. Zo heet mogelijk, omdat je niet de enige was, die in bad moest. Na drie personen werd het ververst. Het enige nadeel van dit soort badkamers is dat het er altijd op de vloer smerig is doordat je knoeit met water en as. Dit geeft een aparte geur. Dit moet je geroken hebben.

Geit
“Wa-a-a-assen!”

Een broer van mij maakte het volgende mee: Tijdens het stoken van het fornuis lagen wij altijd te experimenteren. Dit keer stopten wij een ijzeren staaf in het vuur. We zeiden nog: “Pak nou niet aan dat rode.” Hetgeen hij toch deed. Dit had tot gevolg een een enorme schreeuw en vreselijk verbrande handen. Wij hebben ook vreselijk op ons duvel gehad. Dit was ook een van de weinige keren dat we op ons duvel kregen.
Naar boven

5 - Kippen slachten

’s Zomers, zo begin augustus, werd er vrijdags een aantal kippen geslacht (haantjes). Die werden ’s zondags gegeten. Die haantjes moest je eerst vangen in het ‘kuukenshok’, daar moest je ze tussen de hennetjes uit vangen. Er liepen daar zo’n vijfhonderd kuikens. Het enige herkenningspunt aan die haantjes was de grootte van de kam. Je vraagt je nu af: “Hoe kom je aan vijfhonderd kuikens?”
In februari kwamen deze kuikentjes, zo’n drie dagen oud in dit ‘kuukenshok’. Dan moest je ze met een petroleumkacheltje warmhouden omdat het nog niet echt warm was. Je moest om de vijf uur bij ze gaan kijken. Dit moest je heel rustig doen, anders drukten ze elkaar dood van de schrik. Na verloop van tijd kon de kachel uit als ze voldoende veren hadden.
De haantjes werden geslacht tussen augustus en eind september. Daarna gingen de hennetjes naar het grote kippenhok. Nog wel even in quarantaine totdat ze groot genoeg waren om tussen de andere kippen te verblijven. Dan waren de eieren ook groot genoeg voor de verkoop; want kleine eitjes werden altijd apart gehouden.
Nou het slachten: Nadat we een dertig haantjes gevangen hadden ging Piet fungeren als koppensneller. Er werd een hiep (bijltje) opgezocht en scherp gemaakt op de slijpmachine op handkracht. Er werd een blok hout opgezocht, een zogenaamde ‘stop’.

Kippen
Toekomstige ex-kippen...

Uit het washok werd een lange tafel gehaald van circa drie meter lang. Plus uit het bakhuis emmers en messen; groot en klein. Piet pakte een haan bij de poten en vleugels en legde hem met zijn nek op de stop en gaf een klap met de hiep zodat de kip onthoofd werd. Dan spoot het bloed alle kanten op. De kip -oftewel de ex-kip- werd losgelaten en liep als een kip zonder kop overal tegenaan. Hetgeen niet door iedereeen zo gewaardeerd werd omdat wij als jongens de meisjes nogal eens achterop gingen met zo’n ‘levende’ kip zonder kop. Hetgeen achteraf ook vrij luguber is.
Nadat de kip uitgebloed was, gingen we hem z’n jasje uittrekken, zoals dat ook genoemd werd. De een trok z’n jas uit; de ander sneed de kip open en hakte zijn poten eraf. Zijn ingewanden werden eruit gehaald; dit moest altijd zorgvuldig gebeuren omdat je moest uitkijken dat de gal niet kapot ging, anders kon je de kip weggooien.
Nadat alles verwijderd was, werden ze in een emmer met water schoongespoeld. Na het slachten van de kippen werd alles goed schoongemaakt met water en zout. De veren en ingewanden werden naar de varkens gebracht. De haantjes werden in emmers met water en zout een paar uur in de week gezet. ’s Avonds werden ze in een bak gelegd om te drogen. En ’s zondags kreeg je ze gebakken op je bord.
Het waren vette haantjes, maar daar had je het toen niet over.
Naar boven

6 - Gezeik

Het zal omstreeks 1974 geweest zijn, dat er op de boerderij een logé kwam. Deze vrouw, Sien genaamd, was niet helemaal zoals wij. Maar zowel zij als wij hadden daar geen last van. Dit gaf wel aanleiding tot leuke situaties.
Als zij bijvoorbeeld in bad ging, liep ze vanaf haar kamer op de heerd zo naar buiten, naar het washok. Hierbij passeerde zij het bakhuis en stond dan poedelnaakt te dansen voor het raam totdat Trien het in de gaten kreeg en haar naar het washok stuurde waar ze soms nog een showtje voor de buurman gaf, dit tot grote hilariteit van ons natuurlijk.
Op een middag, het was midden in de zomer, toen Piet en Trien op bed lagen te slapen, ging Sien naar de ‘WC’
De WC was een hokje dat je kon afsluiten met een haakje als je geluk had, zoniet dan moest je de deur dichthouden tot je klaar was.
De zitplaats bestond uit een grote plank, met in het midden een rond gat, dat afgesloten werd met een houten deksel.
Als je dit deksel eraf nam dan keek je in een diep gat. De diepte varieerde. Dit was weer afhankelijk hoe vol of de bak was die eronder stond. Dit merkte je altijd het beste als je poepen moest, hoemeer het terugspetterde des te voller was hij. Na verloop van tijd moest deze leeggemaakt worden.
De WC grensde met de achterkant aan de stal, hier moest ook de bak verwijderd worden. In de stal zat een schot, dat haalde je weg en had dan uitzicht op een bak met poep...
Aan beide kanten van deze bak zaten handvatten. Daar tilde je hem met z’n tweeën mee op de kruiwagen, vervolgens werd hij naar de keuenboomgaard gebracht en omgekieperd.

Po
Ook dit is gezeik...

Dit alles verliep meestal goed, behalve als de bak te vol zat; dan gutste er wel eens wat over je handen. En als er iets stinkt dan is het wel menselijke mest. De bak werd naderhand schoongespoeld en op zijn plaats gezet.
Die middag had Sien het idee opgevat om de bak aan de voorkant van de WC eruit te halen, hoe zij dit voor elkaar gekregen heeft is nog een raadsel. Maar ze had de bak al half uit de WC toen ik het zag. En ze trok de bak die goed vol zat zó de gang in.
Doordat de WC iets hoger lag dan de gang, klotste de zeik over de rand heen toen ze hem de gang in trok.
Wij hebben de bak weer terug gezet ook al klotste de zeik over je handen, en hebben de gang aangedweild voordat Trien uit bed was.
Later hebben wij er veel om gelachen.
En we hielden vanaf die tijd Sien beter in de gaten, al was het alleen maar om gezeik te voorkomen.
Als ik het woord gezeik hoor dan denk ik vaak: “Dat was nog eens echt gezeik.”
Naar boven

7 - Slapen

Slapen op de boerderij was altijd vol verrassingen. We gingen ’s avonds altijd verstoppertje spelen op de hilt, dat is boven de koeien. En op de balk; hier lag het hooi en stro voor de winter. Genoeg plekjes om je te verstoppen dus. Als we moe waren gingen we naar bed. We sliepen op een enorm grote zolder. Hier stonden twee tweepersoonsbedden. En daar hebben we een hele zomer met z’n vieren geslapen.
Later sliepen wij op de keet; dit was op de hilt gebouwd. Daar waren twee bedden getimmerd, er stond een tafel en een kast van Piet. Hij besliep één van de bedden. Het andere werd beslapen door logés. Dit bed was een echt ouderwets bed met van die zakken met veren die je op moet schudden. En van die gestikte dekens erop. ’s Zomers was het er lekker koel omdat je onder de rieten kap sliep. ’s Winters daarentegen was het erg koud zodat je adem op de gestikte deken bevroor. ’s Morgens, als je er vroeg uit moest, dan kleedde je je snel aan omdat je anders bevroor, en zo gauw mogelijk naar de kachel en zelfs daar bibberde je nog na. Omdat het daar ook nog niet erg warm was. Als het ’s nachts ècht koud werd gaf Trien je wel eens een kruik mee.
Op de keet hingen ook allerlei kleren van Piet. Later, toen ik wat ouder was leende ik wel ’s een jasje of trui van hem.
Ik heb goede herinneringen aan het slapen boven de koeien, die ’s nachts allerlei geluiden maakten en de ratten die krijgertje speelden achter de houten wand en het bed waar een kuil in kwam van het liggen. Voor mij kan hier geen Auping of Hilton tegenop.
Naar boven

8 - Verjaardag

Een verjaardagsfeestje werd op de boerderij altijd in grote overdaad gevierd. Piet was 31 oktober jarig, en dan was het altijd erg koud. We woonden dan in de geut. Als er dan een verjaardag gevierd werd stookten we de kachel op de heerd ook warm. Dit deden we ’s middags al, want de heerd is een grote kamer, en in korte tijd moeilijk warm te stoken. ’s Avonds als het melken klaar was gingen we met de voorbereidingen voor het feest beginnen. Iedereen deed wat: de één zette koffie, de andere sneed worst en kaas, stoelen werden klaargezet en dergelijke zaken.
Zo om acht uur kwamen de eerste gasten. Dezen kregen koffie met een gebakje. De ‘oudere’ mensen gingen op de heerd zitten, de ‘jongeren’ gingen in de geut zitten en zorgden voor de ‘bediening’. Bij elk kopje koffie kwam het gebak weer tevoorschijn, en er waren erbij die er met gemak vijf opaten.
Na de koffie werd de borrel grif geschonken. Evenals de zelfgemaakte bowl en brandewijn. Ook de worst kwam in al zijn variaties ten tonele. Van plakjes tot warme knakworsten. Zoveel je maar wilde kon je eten, en dat deed iedereen ook. Bakken met chips en pinda’s, beschuit met rookvlees en ei, of gewoon kaas: Alles was mogelijk, er werd niet op een cent gekeken. Om plusminus twaalf uur ’s nachts werd er weer koffie gezet en kwamen de broodjes op tafel. Daarna ging iedereen op huis aan. Ik was het na zo’n dag wel zat. En de volgende dag alles weer opruimen. Ik was ook niet de enige die zat was. Ook de honden hadden de hele avond van alles toegestopt gekregen en lagen ‘voor merakel’.

Herta
De hond Herta ‘voor merakel’ bij de hooiberg.

Zo hadden wij nog dagenlang plezier van alles wat er overgebleven was. Zoals ik nu nog het plezier heb van de herinnering aan de verjaardagen: Bij mij is het nog lang niet verjaard.
Naar boven

9 - Zingen

We gingen met Trien regelmatig naar de kerk in Hoevelaken. Er werd ook elke middag na het eten gelezen uit de ouderwetse Bijbel. En op de radio stond, buiten het programma van Barend Barendse, altijd Psalm- of koormuziek. ’s Zondags onder het melken stond de radio op de deel om de kerkdienst te volgen die dan uitgezonden werd. En er werd luid meegezongen, er werd zelfs beweerd dat de koeien meer melk gaven als er muziek aan stond.
In de kerstvakantie kwam er ’s nachts of vroeg in de morgen een koor langs op de boerderij. Bij Trien en Piet was er altijd een kop koffie en een broodje. Wij bleven op tot het koor kwam. We hadden grote tafels op de heerd neergezet en stoelen voor alle koorleden. We stookten de kachel stevig op zodat het er al gauw heel behaaglijk was.

Winter
Winter

Als het lang duurde dommelde je weg, maar je werd vroegtijdig gewaarschuwd als ze eraan kwamen. Nog even een houtje op de kachel en broodjes klaarzetten, en dan naar de liederen luisteren die ten gehore werden gebracht. De meeste koorleden kende je wel. Het was ook heel gezellig op zo’n nacht. Na een uurtje vertrokken ze weer; op naar de volgende boerderij.
En wij naar bed. Het had wel wat, zo’n koor in de nachtelijke velden van Terschuur.
Naar boven

EINDE

Nawoord

Tot zover het verhaal over Trien en Piet uit Terschuur. Mogelijk zullen er in de (nabije) toekomst nog meer hoofdstukken volgen.

De Webmaster



Fragment uit een interview met Trien uit 1982
(Matige geluidskwaliteit)